Talentontwikkeling

Quote_teken_links

‘Niet alle kunstenaars zijn goede ondernemers. Dat maakt hen echter nog geen slechte kunstenaars!’

harold

Harold Warmelink (57) is geboren in Den Haag, maar is een ras-Amersfoorter geworden. Getrouwd met Sandra, twee kinderen Esmée en Tijmen. Directeur van Flint. Verschillende maatschappelijke functies waaronder voorzitter van de Stichting Met het Oog op Amersfoort. Die functie bracht hem naast voetbalclub Sparta Rotterdam op een nieuwe hobby: Iphonefotografie.
Harold Warmelink | Directeur | harold.warmelink@flint.nl

Talentontwikkeling is in de afgelopen vijf jaar ineens weer hot. Opmerkelijk na de culturele kaalslag in 2010. Met name voor de ontwikkeling van jong theatertalent na het hbo waren de enorme bezuinigingen desastreus. Goed lopende en georganiseerde productiehuizen werden wegbezuinigd, net als ons enige instituut voort het culturele erfgoed van theater: het TIN (theater instituut Nederland).

In een gesprek met theatermaker Jori Hermsen (Jori Hermsen Producties) hierover, onderscheidt hij twee momenten: de stap van hobby naar studie en van studie naar beroep.

Van hobby naar studie: Nederland heeft veel jeugdtheaterscholen, hobbyclubs, particuliere initiatieven en amateurgroepen. Toch is de stap naar het kunstonderwijs soms nog erg groot. Jongeren moeten bovendien steeds sneller beslissen wat ze willen worden, met name door de financiële druk. De stichting Jori Hermsen Producties heeft een jongerentak opgericht JHPjong, met veel aandacht voor talentontwikkeling. Dit jaar is de Theater Vooropleiding Amersfoort gestart. Hier krijgen jongeren vanuit het hele land (dus ook buiten de Randstad) de kans om zich door te ontwikkelen voor het hbo theateronderwijs, onder professionele begeleiding.

Van studie naar beroep: Als je afstudeert aan een van de vier toneelscholen in Nederland, is het niet zo dat er meteen deuren voor je opengaan. Naast je talent ben je enorm afhankelijk van producenten, castingbureaus en programmeurs. Er wordt een groter beroep gedaan op de gesubsidieerde gezelschappen. Deze hebben echter zeer beperkt plaats. Afstudeerders zijn daarom genoodzaakt om zelf te produceren. En niet alle kunstenaars zijn goede ondernemers. Dat maakt hen echter nog geen slechte kunstenaars!
Al lange tijd is er een discussie gaande of alle kunstenaars begeleiding nodig hebben in het ondernemen, of dat er meer koppelingen met (cultureel) ondernemers gemaakt moeten worden. Theatermakers werken bijna nooit alleen en bestaan bij de gratie van een cast/crew en publiek. Dit betekent dat een begroting voor bijvoorbeeld een startende kleine zaalproductie minimaal rond de 80.000 euro aan productiekosten kent. Probeer dat maar eens te organiseren als je net afstudeert!

Om de brug naar de praktijk weer op te bouwen zijn meerdere bruggen nodig. Er dienen meer subsidiemogelijkheden te zijn voor jonge theatermakers (zowel landelijk als gemeentelijk). Theaters, gemeentes, makelaars en bedrijven moeten actief helpen bij het beschikbaar stellen van (goedkope) ruimtes, niet alleen voor voorstellingen, maar ook voor kantoor of repetities.

Professionele werkplekken zoals De Laswerkplaats in Amersfoort, waar je voor een langere tijd (enigszins betaalbaar) kunt werken, zijn absoluut noodzakelijk om jongprofessionals te laten doorgroeien. Castingbureaus en producenten dienen zich actiever in te zetten op nieuw talent, er wordt te vaak alleen op bekende namen ingezet. En tenslotte is goed te constateren dat toneelscholen afstudeerders beter voorbereiden op het ondernemerschap. Er is aandacht voor een nieuwe kijk op ondernemen zoals “effectuation entrepreneurship” (www.effectuation.nl).

Helaas is er in deze column te weinig ruimte om daar dieper op in te gaan. Het mag duidelijk zijn dat er nog uitdagingen genoeg zijn voor alle stakeholders om proactief de samenwerking te zoeken met “The Next Generation”.